4.1.1 Teamsamenstelling TopDivisie en lager 14 spelers
Teams mogen uit maximaal 14 spelers bestaan.
Bij een team van 13 spelers of meer, is het verplicht twee libero’s aan te wijzen.
19.1.1 1 Indien het team bestaat uit 13 of 14 spelers dan moet het 2 libero’s aanwijzen uit de lijst van spelers.
12.3 Toestemming voor service
De serveerder moet direct naar de servicezone gaan om te gaan serveren zodat de ballenraper weet wie de bal voor de service moet krijgen.
De 1e scheidsrechter mag al fluiten voor de toestemming van de service voordat de serveerder met bal is omgedraaid in de servicezone om spelophouden te voorkomen.
Elke vorm van de bal onnodig vasthouden zodat de service langer duurt is dus een manier van spelophouden. Of je dit nou voor je eigen team doet, of de bal vasthoudt zodat de tegenstander niet kan serveren.
17.2 BEÏNVLOEDING VAN BUITENAF
17.2 2 Als de coach nabij de zijlijn de baan van de bal beïnvloedt waardoor er geen waarneming mogelijk is om te bepalen of de bal in of uit is, zal de scheidsrechter beslissen dat de bal in is. De coach krijgt een mondelinge waarschuwing of zwaardere maatregel afhankelijk van voorgaande sancties.
19.2 Uitrusting van de libero
De libero’s moeten een tenue dragen (of hesje voor de vervanger van de libero) dat een andere hoofdkleur heeft dan de kleuren van de rest van het team. Het tenue moet volledig afwijkend zijn van kleur met het tenue van de andere teamleden.
Het is dus niet toegestaan om liberoshirts te dragen die dezelfde lay-out als de reguliere shirts hebben, maar waarbij de kleurstelling van de vlakken is omgedraaid. Voorkeur gaat uit naar bijvoorbeeld: liberoshirt is rood, rest van het team speelt in het wit.
3.1 Ballen
De officials controleren de ballen. Mocht blijken dat er een of meerdere ballen te zacht zijn dan is het aan de thuisspelende vereniging om deze op spanning te brengen (op te pompen). Dat is dus geen taak van de officials.
HIA 9.6 Spelen van de bal
In de geest van het internationale volleybal en om langere rally’s en spectaculaire acties te stimuleren, moet de scheidsrechter alleen de meest duidelijke overtredingen affluiten.
Als een speler zich niet in een goede positie bevindt op het moment dat hij de bal speelt, moet de 1e scheidsrechter milder zijn in het beoordelen van het balcontact.
Bijvoorbeeld: a. Spelverdeler die moet rennen om de bal te kunnen spelen of moet springen bij het net om de bal aan te kunnen spelen;
b. Speler moet achter een bal aanrennen of een snelle actie maken om de bal te spelen die weg kaatst via het blok of andere speler;
c. Bij het spelen van de eerste bal in de rally mag de bal verschillende delen van het lichaam raken. In scheidsrechtertekens vertaald: het teken voor “twee keer raken” komt in een dergelijke situatie niet voor. Het teken voor “vastgehouden bal” kan wel degelijk van toepassing zijn;
d. Speler redt de bal boven de tellertafel.
13.1 Kenmerken van de aanvalsslag
Een onderhands gespeelde bal of een bal gespeeld met de voet die in de richting van de tegenstander gaat is ook een aanvalsslag.
Met andere woorden: Elke bal die op juiste manier gespeeld wordt en tussen de antennes naar de andere speelhelft wordt gespeeld, wordt gezien als een aanvalsslag.